ochtendspits

Hij, klein met kalende kruin,
rent en slingert zich in de trein.
De conducteur, groot, blauw,
breed, kijkt nors, hij fluit:
de deuren sluiten.
Het volle balkon schokt,
de trein maakt vaart.

De kalende kruin spiedt rond.
Spitsreizende mensen,
kranten voor buik en hoofd,
staan slapend lettertjes te lezen.
Niemand zucht, belt, kauwt
of keuvelt. Kalende kruin
schept uit zijn zak,
van bruin versleten rib,
een mondharmonica.

Acht uur en elf minuten,
het concert begint.
Na de eerste tonen
grabbelen enkelen in tassen,
bedenken dan dat hun mobiel
toch anders klinkt.
Hij blaast bolle wangen,
tonen vibreren.
Snerpend hoog, af en toe vals,
maar men herkent:
‘Het is uit het leven gegrepen’.
De kruin kijkt olijk,
blaast af en houdt
zijn knoestige hand omhoog.
Niemand geeft.
Zijn blik verbuigt, wordt boos.

De volgende halte,
deuren piepen open.
De kalende kruin springt
halverwege het perron,
spurt de trein aan de overzijde in.
De conducteur hangt half
naar buiten, fluit,
de deuren sluiten.
Iedereen zakt weg
in krant en dommelstand.
Op naar het werk.

© arjen van meijgaard, gepubliceerd in Meander, nov. 2006.

poëzie