Expositie
Sinds de accordeonist niet meer op het plein voor het station staat, heb ik zijn plek ingenomen. Het verdient beter, veel beter dan bij de ingang van het museum, en ik kan half onder de overkapping van de stationshal staan. Nu de winter in aantocht is, is dat een stuk behaaglijker.
Ik stop met spelen om mijn handen warm te wrijven en een parmantige dame in een lange rode jas met revers van zwart nepbont stapt op me af. Ze stelt zich voor als mevrouw Boucher. Ze heeft opvallend lange vingers, pianovingers.
‘Ik heb even staan luisteren, het klinkt fantastisch. Wil je op de opening van mijn expositie spelen?’ Ze neemt me kort van top tot teen op. ‘Vanmiddag. Schilderijen. Je krijgt vijftig euro per uur.’ Uit het feit dat ik voor het station in de kou sta te spelen en dat mijn kleding hier en daar versleten is, is niet moeilijk op te maken dat ik extra geld goed kan gebruiken. Van de tien tot vijftien euro die ik op een dag verdien, kan ik eten kopen en de jeugdherberg betalen, meer niet. Zonder aarzelen ga ik akkoord.
Precies om half vier ben ik bij het adres dat de dame me heeft opgegeven, een chique appartementencomplex annex winkelcentrum. Ik heb mijn schoonste overhemd aangetrokken en mijn zwarte broek, die heeft maar één gat, op enkelhoogte. In de hal, waarvan de vloer, de muren en het plafond van donkerbruin marmer zijn, is het aangenaam warm. Er hangen bordjes met pijlen die verschillende kanten op wijzen: ‘Zwembad’, ‘Restaurant’, ‘Expositieruimte’. Van arme sloeber voel ik me plotseling rijk en belangrijk, ik ben ingehuurd om muziek te maken, men wil mij horen.
In een donkere zaal lopen obers in witte pakken heen en weer, druk bezig kleine sta-tafels te dekken en glazen klaar te zetten. Aan de vier muren hangen enorme schilderijen, ik moet goed kijken voor ik in de vleeskleurige en witte vlakken ledematen ontdek. Niet gruwelijk of angstaanjagend, eerder meelijwekkend. Een been met een verband waar het bloed doorheen schemert, een rug of schouder met een hechting, een omzwachtelde voet. De schilderijen zijn zeker twee vierkante meter per stuk, waardoor alles buitenproportioneel is.
Ik installeer me in een hoek, er zijn nog geen gasten. Van De Bolero eneen paar gavottes van Bachheb ik bladmuziek bij me, voor als het improviseren niet lukt. Een van de obers komt me een groot glas rode wijn brengen. Hij zegt dat zijn dochter ook gitaar speelt en al veel les heeft gehad, maar dat het zo duur is. Ik knik en houd hem mijn viool voor. ‘Dit is een viool’ zeg ik met een vriendelijke glimlach.
Mevrouw Boucher komt binnen en stapt enthousiast op me af. Ze draagt een felgroen mantelpakje, een rode boa golft om haar schouders, haar rimpels heeft ze met een dikke laag poeder bedekt. Ze houdt haar hoofd naar voren, ik kus de lucht naast haar wangen. Als ze in haar vingers knipt, snelt een ober met een blad vol glazen wijn toe. Ze pakt er één af en houdt hem in de hoogte.
‘Santé. Is het niet fantastisch om mijn schilderijen zo te zien? Ik vind het spannend. Wens me maar succes met de verkoop.’
Ze danst weg om haar schilderijen te inspecteren. Ik zet mijn viool onder mijn kin en begin met lange streken op de G-snaar, een langzaam stukje om erin te komen. Mijn improvisaties probeer ik na een paar minuten duidelijk af te ronden, zodat ik het volgende nummer een ander karakter kan geven. Misschien klinkt het af en toe te melancholisch, maar trieste vrolijkheid bestaat ook.
De eerste gasten druppelen binnen en na een half uur zijn er ongeveer vijftig mensen die zacht met elkaar praten, nippend aan een glas witte of rode wijn. De obers lopen professioneel rond met volle bladen en knikken beleefd tegen iedereen. Mevrouw Boucher geeft mij een seintje en ik stop met spelen.
Ze heet iedereen van harte welkom. ‘Zoals u weet ben ik gefascineerd door de mens. De mens zoals die is, zonder opsmuk, zonder extra’s. De hulpeloze mens, de mens die lijdt. En het smaakt naar meer, kan ik u vertellen. In mijn volgende werk zal ik proberen dieper door te dringen en de mens van binnenuit weer te geven. Het hart, de longen, ik wil naar de basis van ons bestaan. Maar eerst deze schilderijen. Geniet!’
Er klinkt een applausje en de gasten zetten het praten en nippen voort.
Ik speel af en toe hard en snel, dan weer zacht en langzaam. Om het half uur stop ik om een paar toastjes naar binnen te werken en even mijn benen te buigen.
De ober van de gitaardochter loopt vlak voor mij langs en maakt een paar danspasjes.
‘Heb je niks vrolijkers?’ fluistert hij in mijn oor. ‘Vorige keer was hier een accordeonist, die speelde leuke walsjes.’
De gasten zijn bijna allemaal vertrokken en mevrouw Boucher bedankt me voor het spelen.
‘Vier rode en twee groene. Is dat niet fantastisch?’
Ik kijk haar vragend aan.
‘Stickertjes, rode en groene. Is het niet ongelooflijk?’
Ze geeft me twee biljetten van vijftig euro. ‘Om zeven uur gaan we aan tafel, boven in het restaurant. Ik zou het heerlijk vinden als je daar ook nog even speelt, een paar nummertjes.’ Ze stopt een derde biljet in mijn hand en loopt naar een oudere man die vlak voor een schilderij staat en een gespalkte arm van dichtbij bestudeert. Ik bekijk de biljetten en vouw ze zorgvuldig op. Zoveel geld heb ik in tijden niet meer in mijn handen gehad.
‘Ik kan kopieën maken van de muziek van mijn dochter. Die speelt altijd vrolijke liedjes. Zal ik ze opsturen?’ zegt de ober met de gitaardochter als ik mijn viool inpak.
Mevrouw Boucher wenkt me en samen lopen we in een wolk zoete parfum naar de lift, ze heeft zich net ondergespoten. Via de spiegel kruisen onze blikken elkaar, ze neemt me zorgvuldig op. Op de achtste verdieping is een klein restaurant met uitzicht over de stad, een ronde tafel is voor haar en haar gezelschap gedekt.
‘Dit is mijn violist. Hij speelt nog even. Kan de muziek uit,’ sommeert ze de ober.
Zes gasten nemen plaats, één stoel blijft leeg. Ik vraag me af of ik nog even moet wachten op deze verlate gast, maar mevrouw Boucher glimlacht naar me en met een hoofdknikje moedigt ze me aan te gaan spelen. Ik improviseer, speel zo gevoelig mogelijk. Dit had ik vanmorgen voor het station niet durven dromen.
Na drie nummers begint mevrouw Boucher zachtjes te klappen. Ze wijst op de lege stoel en zegt dat ik kan aanschuiven, ze heeft op me gerekend, als bedankje voor het mooie vioolspel. Ik protesteer zacht en zeg dat dat te veel eer is. De andere gasten knikken enthousiast en de vrouwen van middelbare leeftijd tussen wie ik in kom te zitten, schenken alvast mijn glazen vol, de een met wijn, de ander met water. ‘Kom, ga zitten. Een straatmuzikant kan altijd een goede maaltijd gebruiken,’ zegt mevrouw Boucher met een glimlach die geen tegenspraak duldt. De ober schuift beleefd mijn stoel naar achter en ik neem plaats.
Om half twaalf staan we buiten, mevrouw Boucher hangt aan mijn arm.
‘Heerlijk dat je er was, het was prachtig.’
Ik ben te moe van het spelen en eten om iets terug te zeggen.
‘Loop je nog even mee, ik woon om de hoek?’ We wachten tot de andere gasten in auto’s zijn gestapt en de straat uit zijn gereden. Ze houdt zich stevig aan me vast.
‘Je komt toch nog wel even binnen?’
De wijn heeft ervoor gezorgd dat ik niet helder meer kan denken. Honderdvijftig euro in mijn zak, een volle maag en straks misschien nog een ander bed dan het stapelbed in de jeugdherberg. Wat kan er gebeuren? Op z’n ergst word ik besprongen door een vrouw van tegen de vijftig, misschien betaalt ze me nog wel voor eventuele extra diensten.
Ze opent de zware deur naar haar appartement en draait het licht aan, maar niet op volle sterkte.
‘Ga zitten, ik schenk nog even wat voor ons in.’
Op de rode leren bank neem ik plaats, aan de wanden herken ik schilderen in haar stijl. Schilderijen uit dezelfde serie, maar veel bloediger en heftiger dan die tentoongesteld waren. Geamputeerde benen, veel bloed, een hoofd zonder romp. In de hoek staat een groot aquarium waarin enorme grijze vissen met waaiervormige vinnen langs het glas vegen. Ernaast staat een accordeon op de grond. Uit de boxen klinken jazzy viooltonen, ze heeft Grappelli opgezet, mijn grote voorbeeld.
Ik geniet van de muziek en de lome warmte. Ze komt binnen en draagt een lichtblauw nachtgewaad, ze heeft twee glazen in haar hand die tot de rand toe gevuld zijn met een doorzichtige vloeistof, in beide drijft een druif.
Ze nestelt zich op de bank naast me en proost op de geslaagde avond. ‘Ik zal je straks vertellen over mijn volgende project, de innerlijke mens.’ Terwijl ik een slok neem, bekruipt me plotseling een onbestemd gevoel, er klopt iets niet. Ik wil opstaan, maar het lukt niet, slaap sleurt me naar een diepe afgrond, Grappelli sterft weg. Ik voel nog net dat ze op mijn schoot kruipt en haar handen met de sierlijke lange vingers om mijn hals legt.
© arjen van meijgaard

|