Goudvis


‘Hoeveel mensen in de stad voeren op dit moment hun goudvis?’
‘Honderd? Vijfenzeventig? Dertig.’
‘Hoeveel mensen laten op dit moment een bad vollopen en gaan er niet in zitten omdat de telefoon gaat?’
Het was zondagochtend half tien. In mijn eentje was het spelletje niet leuk. Je moest minimaal met z’n tweeën zijn. En in ieder geval met mama erbij, zij had het verzonnen. De vragen waren het belangrijkste, de getallen minder.
Mijn vader en Miranda, mijn geschiedenislerares, lagen nog in bed. De regen tikte onregelmatig tegen het raam. Ik keek naar de foto van mama en vroeg haar waarom ze dood was. Waarom ze niet eerder of later van oma weg had kunnen gaan. Waarom ze geremd had op de overweg, terwijl ze juist gas had moeten geven.
Het toilet werd doorgetrokken en de kamerdeur ging open.
‘Ben je al wakker?’ vroeg Miranda schor. Ze droeg mijn moeders kamerjas. ‘Zullen we zo ontbijten?’ Haar teennagels waren roodgelakt. Hoeveel vrouwen lakken op dit moment hun teennagels rood? Hoeveel geschiedenisleraressen lopen op dit moment rond in de kamerjas van de overleden vrouw van hun vriend?
Waarom kwam mama gewoon niet weer binnen? Ik vond dat je het leven nog een keer moest kunnen leven. De eerste keer draai je proef, je let goed op zodat je weet wat je in het volgende leven wel en niet moet doen, wat gevaarlijk kan zijn. Hoe laat je ergens weg moet gaan om juist niet onder de trein te komen. Maar er is geen volgende keer.

Voor mij een skateboard en een goudvis, voor zichzelf een laptop en een vriendin. Zo verwerkte mijn vader z’n verdriet toen mama overleden en begraven was. Hij schreef zich in bij verschillende datingbureaus. Daar kwam ik vrij gemakkelijk achter, in de menubalk zag ik welke sites hij bezocht had: partnernu.nl, voorjoueennnieuwevrouw.com, nietmeeralleen.nl.
Voordat hij Miranda ontmoette en zij bij ons bleef slapen, was hij een paar keer met een andere vrouw op stap geweest. Het gesprek voorafgaand aan zo’n date ging altijd op dezelfde manier.
‘Ik ga vanavond uit.’
‘Mama is dood.’
‘Toch ga ik vanavond uit.’
‘Met wie?’
‘Met iemand die ik beter ga leren kennen.’
Als ik de volgende dag vroeg hoe het was geweest, zei hij altijd ‘leuk’. Meer niet. Eén keer heb ik zo’n vrouw aan de telefoon gehad. Els heette ze, of zoiets. Ze vroeg of mijn vader thuis was. Ik zei dat hij benenden in de tuin een onderbroek aan het ophalen was die van de waslijn was gevallen.
‘O, wonen jullie boven?’ had ze gevraagd.
‘Ja,’ zei ik.
‘Wil je vragen of hij mij straks belt?’ Eigenlijk vroeg ze het niet, maar commandeerde ze mij.
Toen mijn vader met zijn blauwe onderbroek weer bovenkwam, zei ik niets. Els heeft nooit meer gebeld.
En toen kwam de eerste ouderavond nadat mama overleden was. Mijn cijfers waren slecht en mijn vader moest op school komen. Ik mocht mee.
Nadat we bij Nederlands, Aardrijkskunde, Wiskunde en Gymnastiek waren geweest, kwamen we bij het tafeltje van mevrouw Van Gestel, de geschiedenislerares. Hoewel ik erbij zat en goed oplette, heb ik niet gemerkt dat er meer tussen hen was dan alleen mijn twee voor het laatste proefwerk. De week daarop belde ze en vroeg naar mijn vader. Ze kwam een paar keer theedrinken en niet veel later zat ze aan het ontbijt.

Miranda gaf mij de hagelslag aan. Mijn vader en zij waren allebei netjes aangekleed, ze gingen voor het eerst naar haar ouders. Ik zat in mijn pyjama. De volgende keer mocht ik mee. Mijn vader had mij toegefluisterd dat hij eerst de situatie wilde inschatten.
Terwijl zij weg waren, mocht ik internetten, huiswerk maken, lezen, naar buiten kijken, zelf koffie zetten en opdrinken, twee stroopwafels pakken of de kom van de goudvis schoonmaken. Ik ging verder met aan mama denken. Vanaf de bank kon ik haar foto goed zien. Ze lachte.
Vlak voor haar begrafenis kwam mama tot stilstand op een overweg. Het bleef door mijn hoofd spoken hoe dat gegaan moest zijn en wat de machinist van de trein had gezien. Haar rode auto op de rails. Misschien probeerde ze uit te stappen, maar kreeg ze haar riem niet snel genoeg los en zwaaide ze wanhopig naar de lange gele slang die met piepende remmen op haar afkwam. Ze was een stuk mee geschoven, had de politie verteld, maar toen was ze al geplet door de klap. Later begreep ik dat bijna iedere machinist wel eens iemand doodrijdt. Als deze machinist mama niet had doodgereden, had een andere het misschien gedaan.
Een paar weken na de begrafenis ben ik met mijn vader gaan kijken bij de overweg. We hebben een bos rode rozen neergelegd en gewacht tot er tien treinen gepasseerd waren.

De goudvis zwom rondjes en keek met zijn bolle ogen naar mij. Buiten regende het nog steeds, ik hoopte dat mijn vader en Miranda drijfnat bij haar ouders zouden aanbellen.
Ik ging vlak voor de foto van mama staan en vroeg me af hoeveel mama’s er op dit moment werden doodgereden.

© arjen van meijgaard, gepubliceerd in Komkommer&Kwel, nr 4, mei 2006

proza