Camping
‘Ben je een beetje gelukkig?’
Ze wiebelde kort heen en weer in het lage campingstoeltje, maar zei niets. Traag sloeg ze een bladzijde om en schoof haar zonnebril omhoog op haar neus. De glazen waren net niet donker genoeg, hij kon haar ogen zien, ze bleven gericht op het boek dat op haar schoot lag. Haar lange witte benen had ze over elkaar geslagen, waardoor haar knieën belachelijk hoog uitstaken, met haar kont raakte ze bijna de grond.
Sanne en Lot speelden met andere kinderen aan de rand van het meer, hun stemmem klonken helder over het water. Freek keek om de paar minuten naar zijn dochters en dan weer naar haar. Hij draaide het vuur lager en nam de pan met de aluminium houder van het wankele gasje. Als de kinderen erbij waren, durfde hij het niet te vragen, hoewel ze dan misschien wel zou antwoorden. Met de meisjes erbij deed ze zo normaal mogelijk, dan praatte ze in ieder geval tegen hem, de steken onder water hadden zij toch niet door.
‘Ik wel,’ zei hij, iets te hard. Het klonk ongeloofwaardig, dat wist hij. ‘De zon schijnt en we hebben een prachtig uitzicht.’
De bossen rond het meer strekten zich uit over de glooiende heuvels. Er stonden niet veel tenten op het terrein, rust en ruimte, daar hield zij van.
Freek goot de pasta af en deed de saus erbij, met de pollepel die ze thuis ook gebruikten roerde hij de dikke rode vloeistof door de lange witte slierten. Ze sloeg haar boek dicht en stond op. Met grote stappen liep ze richting de oever van het meer. Ze was lang, langer dan hij. Dat was haar handicap geweest, haar ongeluk. Als ze maar vijf centimeter korter was geweest, hadden ze een gezellige vakantie gehad, dan had zij de afgelopen maanden niet hoeven zwijgen.
De kinderen hielden beiden een hand vast, zij liep in het midden en praatte geanimeerd met hen. Freek verdeelde de spaghetti over vier plastic borden. Zodra de kinderen erbij waren, draaide ze een knop om en deed weer normaal tegen hem. Ze zei dat het eten lekker was of besprak wat ze morgen zouden gaan doen.
Op het moment dat hun tongen elkaar raakten, dat zij met haar handen door zijn haar woelde, had Freek iets op zijn rug gevoeld, een steek of eerder een elektrische schok. Onbewust had hij zijn hoofd half gedraaid en via de spiegel naar buiten gekeken, de tuin in. Boven de schutting naar zijn eigen huis had hij de priemende ogen van zijn vrouw gezien, een fractie van een seconde keken ze in de zijne, via de spiegel door het raam van de tuindeuren. Abrupt had hij een einde gemaakt aan de omhelzing en had de vrouw met wie hij zojuist nog innig omarmd stond, zachtjes van zich afgeduwd. Stotterend en excuses mompelend had hij het huis verlaten. De tien passen tussen zijn eigen voordeur en de voordeur van de buurvrouw had hij rennend afgelegd, maar het was te laat.
In de keuken stond zijn vrouw met haar rug naar hem toegekeerd. Zij vroeg niets, hij zei niets. Ze had zich traag omgedraaid en hem aangestaard, haar lippen stijf op elkaar geperst. Zo hadden ze een moment tegenover elkaar gestaan, daarna was ze langs hem gelopen en de voordeur uitgegaan. ’s Avonds laat was ze pas weer teruggekomen. Sindsdien had ze niet meer tegen hem gepraat als ze samen waren, had ze zijn vragen onbeantwoord gelaten, in klanken en op papier. Zijn briefjes lagen steeds nog op dezelfde plek of naast het bed als hij ze op haar hoofdkussen had gelegd. Hij wist niet of ze wilde dat hij vertrok of dat hij nog een keer om vergiffenis vroeg.
Op zijn werk sprak hij, uitvoeriger dan vroeger, met zijn collega’s, tijdens het eten waren de kinderen er en deed zij of er niets aan de hand was. Zodra ze op bed lagen, lazen ze of keken zwijgend tv. Maar nu in de vakantie, drong de situatie zich onaangenaam op. Er was geen tv en zij was zowat de enige volwassene met wie hij kon praten.
Ze ging afwassen met de kinderen, daarna zou hij een verhaaltje voorlezen. Als Sanne en Lot eenmaal sliepen, bleef het stil tot de volgende ochtend. Het zou gaan zoals het de hele week was gegaan: hij wenste haar welterusten, zij draaide haar rug naar hem toe en las drie of vier bladzijden voor ze in slaap viel, dan boog hij voorzichtig over haar heen om de zaklantaren uit te doen.
Hij keek naar Sanne en Lot terwijl hij voorlas, ze waren rozig en moe van de hele dag aan het water spelen. Bijna gelijktijdig dommelden ze in. Hij kuste hen zachtjes, wierp een laatste blik op hun gezichten en kroop achterwaarts de tent uit.
Zij zat bij het licht van een gaslamp te lezen. Een paar vliegen kwamen keer op keer met volle vaart tegen het glas van de lamp, een grote nachtvlinder kleefde bewegingloos aan het blauwe onderstel. Hij liep naar de auto, pakte het dagrugzakje en deed er een fles water in, twee rollen koekjes en een appel. Hij rolde zijn opgestroopte mouwen af, knoopte de manchetten dicht, herstrikte zijn veters en keek naar zijn vrouw. Ze bleef lezen.
Hij hief zijn hand, zei ‘dag schat’ en liep over het pad naar de uitgang van de camping. Een kilometer verder was een bushalte, hij wist al dagen hoe laat de bus vertrok.
© arjen van meijgaard, gepubliceerd in NRC, Bulkboek en De beste verhalen uit Duizendwoorden, Nieuw Amsterdam, 2008

|