Bridgen

Huib trok de stop uit de wasbak en hield zijn hand in het water vlak boven het afvoerputje. Het water zoog zijn vingers tegen de gaatjes en hij voelde de sliertjes spaghetti en stukjes tomaat langs zijn vingers glippen. Dat deed steeds hij na het afwassen, thuis, maar ook hier op de camping in Drenthe.
‘De bridgeclub speelt elke zaterdagmiddag vanaf vijf uur in de koffiekamer van bejaardentehuis De Zonneheuvel. Niet leden betalen drie euro, leden twee euro. Alleen in koppels aanmelden.’
Het adres stond eronder. Dit jaar hing het briefje er voor het eerst. Het zat met vier punaises vast op het prikbord boven het aanrecht. Net als de andere foldertjes die er hingen, van de dichtstbijzijnde huisartsenpraktijk, de afhaalchinees, het Tractormuseum. Het reglement van de camping was geplastificeerd en hing aan een haakje naast het prikbord.
Toen hij begin dit jaar was gestopt met werken, had zijn vrouw hen direct opgegeven bij de bridgeclub bij hen in de buurt. Elke woensdagavond zaten ze aan een groen gedekt tafeltje met een ander stel. Na twee rondes bieden begon zijn vrouw te zuchten, legde haar kaarten neer en keek hem vernietigend aan. Onder het spelen mocht gelukkig niet gepraat worden. In de ingelaste pauze stiftte ze haar lippen of maakte ze een praatje met een van de andere vrouwen. Hij ging vast aan het volgende tafeltje zitten en nam kleine slokjes van de cola light die zijn vrouw voor hem had besteld.
Als zij het briefje over de bridgeclub hier in het dorp las, zouden ze er zeker heen gaan.

Met een vochtige theedoek, Huib had hem vandaag buiten laten hangen toen ze waren gaan fietsen, droogde hij de borden en het bestek af. De pannen deed hij als laatste, dat had zijn vrouw hem geleerd. Ze zat nu in de caravan naar het journaal te kijken op hun kleine televisietoestelletje. Zij kookte, hij deed de afwas. Dat ging al jaren zo.
Zijn vrouw wilde, ook toen hij nog werkte, altijd in het voorseizoen met vakantie. Dan waren er geen gezinnen met kinderen. Zijn vrouw hield niet van kinderen. Ze wilde ook nooit ver weg met vakantie. Anderhalf uur rijden was het maximum. Het buitenland hoefde van haar al helemaal niet. Vreemd eten, een taal die je niet begreep en de hoge kosten die zo’n reis met zich meebrachten. Ze gingen daarom altijd naar dezelfde camping. Bekend, vertrouwd, dichtbij.
Er stonden drie caravans en een klein trekkerstentje van een Fin die op zijn motor door Europa toerde. Vanmorgen had Huib een praatje met hem gemaakt. De Fin vond Nederland mooi en lekker vlak, maar hij bleef maar één dag omdat hij naar de Côte d’Azur wilde, naar de zon en de warmte. En als hij nog tijd had, reed hij door naar Spanje en misschien Portugal.
Huib had bewonderend naar de glimmende zwarte motor gekeken en hem voorzichtig aangeraakt. Stel je voor dat hij zelf met zo’n ding van camping naar camping kon rijden, heel Europa door. Op de bonnefooi een route kiezen en weer vertrekken wanneer hij wilde. Het mooie weer achterna, diep naar het zuiden afzakken. Onder de blote sterrenhemel over een verlaten weg de nacht in rijden.
Op dat moment had zijn vrouw geroepen dat de koffie klaar was. Hij verontschuldigde zich tegenover de Fin en liep terug naar de caravan. Eenmaal binnen hoorde hij, terwijl hij een hap van een droog koekje nam, de motor starten en langzaam van het terrein af rijden. Op het tafeltje, dat tevens de bodem van hun bed was, lagen wat speelkaarten uitgespreid. Zijn vrouw was bezig met het oplossen van een bridgeprobleem. Luid zuchtend schoof ze de kaarten heen en weer.

Die nacht werd Huib met een schok wakker. Badend in het zweet had hij zich bloot gewoeld. Op de wekkerradio was het half drie, buiten was het pikkedonker. Zijn vrouw draaide zich zuchtend om en trok het laatste restje deken van hem af. Zachtjes ging hij op de rand van het bed zitten. Er moest iets veranderen. Langzaam knikte hij om dit idee te bevestigen. Als ze weer terug waren zou hij bij een rijschool informeren naar motorrijlessen. Nee, zij zou er zeker achterkomen wanneer hij daadwerkelijk met motorrijlessen begon. Dat hielp niet, er moest iets wezenlijks veranderen, zo ging het niet meer. Als hij dat nu eens tegen haar durfde te zeggen. Recht in haar gezicht: ‘Ik vertrek, het is mooi geweest.’
Hij ging op zijn rug liggen en staarde naar het witte plafonnetje van de caravan. Ach, de laatste vijftien jaar van zijn leven zou hij ook nog wel uitzingen. En misschien ging zij wel eerder dood. Even schoot het door hem heen dat hij met zijn hoofdkussen haar kon laten stikken. Maar deze gedacht werd afgestraft met een diepe zucht van onder de dekens.
‘Ga nou slapen,’ klonk het zeurderig.
Buiten was het stil, de bladeren van de bomen veegden langs het raam. De laatste keer dat hij op de wekker keek, was het kwart over vier.

De Fin was vertrokken, voor de ramen van de andere caravans waren de gordijntjes dicht. Het miezerde toen hij de ontbijtboel ging afwassen. Twee bordjes, twee kopjes, wat bestek en de glazen waar zijn vrouw en hij gisteren wijn uit hadden gedronken. Hij hield elk glas en bord lang onder de kraan en draaide met de plasticafwasborstel trage rondjes door het water. Op het golfplaten dakje boven de gemeenschappelijke afwasplaats tikte de regen.
Hij stapelde het vaatwerk op elkaar, hing de theedoek over zijn schouder en keek nog eens naar het papiertje over de bridgeavonden. Eén voor één trok hij de punaises uit het prikbord, pakte het papiertje en scheurde het boven de gootsteen in kleine stukjes. Ze dwarrelden schokkerig naar beneden. Toen hij de kraan open draaide, werden de witte stukjes papier in een kleine draaikolk meegezogen en verdwenen ze door de gaatjes in het afvoerputje.
Heel even hield hij zijn hand in het wegstromende water. Hij voelde voldaan de snippers langs zijn vingers glippen.

© arjen van meijgaard, gepubliceerd in Komkommer&Kwel, 2006.

proza